Kerstwens


DSCF1209Als met kerstmis

op zachte voeten

het licht van liefde en warmte

ons hart binnentreedt,

laten we het dan verwelkomen 

als een vaste bewoner

in plaats van als een logee

voor een paar dagen

zodat wij ook na kerstmis

onze aarde kunnen blijven verlichten

Fijne feestdagen allemaal, Anja van Dort

 

Advertenties

Kerstbomentijd

Ja, het mag weer. De boom mag weer gezet.Kerstbomen plaatjes

Elk jaar haalden mijn lief en ik een boom een eindje verderop bij de boer. Een boom van  zo’n anderhalve meter hoog die zo lekker ruikt. Een boom met kluit en in de pot. En elk jaar vroeg de boer: “zal ik hem even achter in de auto leggen?” Waarop wij elk jaar in koor zeiden: “Nee, we binden hem op de fiets.” Het was een vraag die gewoon bij ons kerstbomenritueel hoorde.

Dat op de fiets binden was trouwens nog niet zo makkelijk. De pot moest op de bagagedrager en werd vastgezet met snelbinders. Daaroverheen spanden we dan weer de  elastieken spinnen, zodat de kerstboom redelijk stevig stond. Het was wel zaak dat iemand tijdens deze  klus het stuur vasthield, want anders werd de achterkant topzwaar en had de fiets de neiging te gaan steigeren als een paard. Zeker als het geregend had en de aarde waarin de kluit stond extra zwaar was.

Vervolgens klom mijn lief op de fiets en begon langzaam te fietsen. De boom stak dan een heel eind hoog achter hem de lucht in. Het was altijd een wonderlijk gezicht. Ik ging dan vlak achter hem fietsen en riep nutteloze dingen ter aanmoediging als: “Het gaat nog goed,” of  “er willen mensen passeren”. Ons  tempo lag namelijk dan nooit zo hoog en er waren vaak mensen die sneller gingen. Het was altijd weer een avontuur. Vooral als het glad was. Gelukkig konden we via fietspaden rijden, wat onze tocht wel een stuk rustiger maakte. Het ging altijd prima en de boom stond bij thuiskomst altijd nog net zo recht en stevig als dat wij hem hadden vastgebonden.

Maar tijden veranderen en het op de fiets halen van een boom behoorde niet meer tot de mogelijkheden. We gingen nadenken over een kunstboom. Eigenlijk vond ik dat maar niets, ik vond het zo nep. Bovendien rook een echte kerstboom altijd zo lekker.

De andere kant was dat ik hem in het nieuwe jaar dan niet op straat hoefde te zetten. Daar had ik altijd moeite mee. Had zo’n boom een paar weken voor zoveel gezelligheid en licht gezorgd, werd hij vervolgens op straat gezet om verbrand te worden. Ik had dan ook al meerdere malen kerstbomen in mijn tuin gezet, maar daar voelden zij zich kennelijk ook niet thuis, want ze gingen meestal dood. Behalve een heel bijzonder exemplaar die we hadden toen ik op de flat woonde en die een tweetal jaren op het balkon stond in de zomer om met de kerst weer groen en geurend binnen te komen.

Wat ik ook altijd een gruwel vond, zoals zoveel mensen, waren de lampjes die in de boom gehangen moesten worden. Dat gedoe altijd met het uit de knoop halen en goed verdelen zodat je geen enorme lichtbundel aan de ene kant van de boom had, terwijl de andere kant veel donkerder was omdat daar op raadselachtige wijze minder lampjes bleken te zitten terwijl het snoer toch echt voortdurend de boom rond was gegaan. Dat was een jaarlijks terugkomende ergenis. Een kunstboom met lampjes kon dan natuurlijk wel een voordeel zijn.

Na rijp beraad besloten we een kunstboom te nemen. Vorig jaar kozen we een mooie uit. Met lampjes, dat was een voorwaarde. En hij was echt mooi. Ik geef toe, hij had niet de charme en de sfeer van een natuurlijke boom, en daar moesten mijn lief en ik wel aan wennen, maar hij was mooi. En die lichtjes waren geweldig. Prachtig gelijkmatig verdeeld over de hele boom. Geen snoeren om uit de knoop te halen,  en geen krassen van de naalden op je handen bij het verdelen van het licht. Je zette de b00m in elkaar, stak de verschillende stekkertjes in de daarvoor bestemde contactjes  en voila…. er stond een prachtige boom met heel veel lichtjes. Ik geef wel eerlijk toe dat het  een half uur duurde voor ik had uit gevogeld  welk stekkertje in welk contactje moest, maar dat zag ik als eenmalig. Ik nummerde de stekkertjes en de contactjes  dus het zou in het vervolg peanuts zijn om de boel aan de praat te krijgen.

En zo haalde ik vol verwachting de boom dit jaar weer naar beneden en zette hem in elkaar. Het verlengsnoer werd gehaald, de lampjes aangesloten en…….geen lichtjes. Wel in de top, wel onderin, maar niet in het midden. Alles nagekeken. De stekker vijf keer in en uit het stopcontact gehaald, alle kleine stekkertjes en contactjes met elkaar verwisseld, maar niets hoor, geen verandering. Het middenstuk had geen licht en kreeg geen licht, wat ik ook deed. Daar werd ik niet blij van. Koppig zette ik mijn pogingen voort. Hij moest gaan branden! Na drie kwartier gaf ik het op en keek somber naar het donkere middenstuk in de boom. Zuchtend ging ik naar zolder. Boven moest ik nog ergens een gewoon snoer met lampjes hebben liggen.

 

 

Contactbarrières

Gisteren liep ikDSCF1180 met mijn lief door de stad, voor nog wat laatste sinterklaascadeautjes.

Regelmatig zit er wel iemand in de stad muziek te maken met een doos of hoed voor zich op de grond waarin passanten hun waardering in de vorm van geld kunnen gooien. Vaak zijn het mannen die slecht Nederlands praten, met gelooide gezichten en een buitenlands uiterlijk. De meest vreemde instrumenten hebben ze soms bij zich. Soms zitten ze alleen, soms in een groepje. Ik vraag me altijd af waar ze vandaan komen en wat hun geschiedenis is. Ze zien er niet uit alsof ze op een andere manier in Nederland hun geld kunnen verdienen dan via hun muziek.

In Utrecht, waar ik destijds studeerde stonden vaak daklozen die hun daklozenkrant aan de man probeerden te brengen. De één op een wat assertievere wijze dan de ander, maar ze deden het. Er is ook een periode geweest dat in de stad een groepje jongeren met acrobatische kunsten probeerden hun inkomen wat op te vijzelen. Stuk voor stuk waren dit mensen die wat deden, die contact maakten met de buitenwereld, met de mensen om hen heen.

Toen ik echter met mijn lief gisteren door de stad liep werd ik getroffen door een buitenlandse vrouw van middelbare leeftijd in lange rokken die op haar knieën op een tasje op de straat lag. Ze lag voorover met haar gezicht naar de stoep gekeerd, haar handen gevouwen als in een bede of gebed. Voor haar op de grond stond een leeg blikje. Heel haar houding drukte onderdanigheid uit. Op geen enkele manier maakte ze contact met de voorbijgangers. Ze lag daar maar te prevelen met dat blikje voor haar.

Ik werd bevangen door een verschrikkelijke woede. Niet omdat ze woordeloos vroeg om geld. Wel om haar houding, om het zich klein en afhankelijk maken. Ik vond het mensonterend en zo niet kunnen. Ik zou haar overeind willen trekken en door elkaar willen schudden. Ik vond de wijze waarop ze bedelde onvoorstelbaar en vernederend. Dit zou niet moeten mogen!!!

Ik kon niet anders dan er boos aan voorbij lopen. Mijn lief vertelde dat hij toen hij nog in Spanje werkte, dit soort taferelen vaak tegenkwam. Ik luisterde met een half oor. Natuurlijk, ik ken haar achtergrond niet, maar niemand zou op zo’n manier aan geld mogen komen.  Maar dat stond natuurlijk los van het feit dat ze waarschijnlijk weinig tot geen geld had. We staken de straat over en verderop lag op dezelfde wijze nog een vrouw op de grond.  Deze vrouw was nog ouder. “Misschien zijn ze wel met een hele groep,” zei mijn lief bedachtzaam. Ik knikte terwijl ik ondertussen in gevecht was met mijzelf. Iedereen heeft recht op eten, onderdak en veiligheid. Wat had deze mensen er toe gebracht om op deze wijze te proberen wat geld te krijgen. Wat hadden ze meegemaakt en vooral hoe keken ze naar ons dat zij het gevoel hadden dit op deze manier te moeten doen. Ja, misschien lichtten ze de boel wel op. Ik wist het niet. Ik kon hun geschiedenis en ervaringen niet veranderen en ja het maakte me vreselijk boos te zien wat ze deden. Maar hielp het echt als ik er boos langs liep. Wanneer hun armoede echt was moest ik hun dan niet tegemoet komen? Wat was nu in de kern belangrijker, dat ik mogelijk belazerd werd en mijn geld aan een verkeerde gaf of dat ik uit ging van de eerlijkheid van mensen en hen tegemoet kwam als ik dacht dat dit nodig was ook al gingen al mijn haren overeind staan op de wijze waarop er om hulp gevraagd werd? Ik koos voor het laatste. Ik draaide me om en zei tegen mijn lief: “ik kom zo terug” en liep weer terug naar de eerste vrouw. Zij stond net langzaam op toen ik aan kwam lopen en liep moeizaam naar een plek een paar meter verderop. Daar zakte ze door weer door haar knieën. Net toen ze het blikje op straat wilde zetten pakte ik haar hand en liet wat ik kon missen achter in het blikje. Ze bleef steken in haar bewegingen, Ik had wat tegen haar willen zeggen, maar ik wist niet wat. Ik wist niet hoe die afstand te  overbruggen.

Nu was ik degene die haar niet aankeek, me afwendde en wegliep. Ik verweet haar eerder in stilte nog de kloof niet te overbruggen door geen contact te maken, maar uiteindelijk wist ik zelf ook niet hoe ik dat in deze situatie moest doen.

 

 

Open Deuren en comfortzone

DSCF1176Ik was heel tevreden met mijn leventje. Het was hard werken geweest om een praktijk op te bouwen, maar het was gelukt en de praktijk liep. Voor mij was het wel goed zo. Ik had individuele klanten en gaf workshops. Daarnaast volgde ik zelf regelmatig workshops en cursussen, had contact met collega’s en las veel. Heerlijk die tevredenheid en dat een beetje heen en weer gewiegd worden op de golven van regelmaat en structuur en harmonie.

Nou wist ik wel dat het leven altijd aparte wendingen kan nemen en meestal als je daar niet echt op voorbereid bent. Ineens  dient zich dan iets aan waarmee je kunt dealen of niet. Een deur die uitnodigend staat te klapperen, en lijkt te vragen of je hem verder wilt openen om te kijken wat er verder achter zit. Nou hou ik altijd wel van een uitdaging, maar op dat moment in mijn leven was ik happy in mijn werk en had ik eigenlijk niet zo heel veel behoefte aan open deuren. Eigenlijk was ik juist heel blij met alles wat me gelukt was en dat het liep en mijn leventje een beetje rustiger werd.

Maar kennelijk werden er “Boven” nog meer plannen gesmeed. En ik moet zeggen; ze begonnen “Boven” heel voorzichtig met het geven van hints. Het begon met regelmatig terugkerende opmerkingen van anderen over de wijze waarop ik dingen organiseer. De eerste keren had dat nog betrekking op mijn eigen werk. Opmerkingen over de uitgebreide verslagen die ik cliënten toestuurde na hun behandeling, zag ik alleen als compliment. Daarna kwamen de opmerkingen over de organisatie en inhoud van de workshops die ik alleen of met William van der Zanden (www.williamvanderzanden.eu) geef. Ik vond het fijn dat mensen daar zo positief over waren, maar ik verbond er verder geen enkele consequentie aan. Ik was blij met wat ik had en had het daar druk genoeg mee. Ik hoefde niet meer. Hier lag mijn ziel en zaligheid. Toen kreeg ik de eerste vraag van iemand: “Wil je de organisatie gaan doen van een door mij gegeven workshop?” De eerste open deur.

Deze gooide ik met een klap weer dicht. Nee, dat  wilde ik niet. Ik vond mijn eigen werk leuk genoeg en het organiseren van workshops voor anderen kost veel tijd en energie. Bovendien; ik zat heerlijk in mijn comfortzone, daar wilde ik nog wel een tijdje blijven. Bovendien had ik zoiets nog nooit voor anderen gedaan en zou ik (dacht ik) niet weten hoe ik het aan moest pakken.

Toen kwam de tweede vraag met dezelfde inhoud als de eerste. Hoewel het mij dus prima beviel in die comfortzone, begon er een soort onrust te komen. Ik werd gevraagd, nu voor de tweede keer. Mensen dachten dus dat ik dat kon. “Misschien moest ik daar in de verre toekomst maar eens over denken,” dacht ik, “maar nu nog niet, alles ging nou net zo lekker.” Vervolgens ging de derde deur open en kwam ik voor de volgende uitdaging te staan. Ik mocht voor Olof Smit (www.earthfather.eu) de organisatie doen rondom een workshop van hem.

De derde open deur. Met al die open deuren begon het toch een beetje te tochten in mijn comfortzone. De onrust nam toe. Moest ik dan toch maar…? Zou ik dat wel durven? Ik had nog nooit zoiets voor anderen georganiseerd. Maar er begonnen nu ook kleine nieuwsgierige kriebeltjes in mijn binnenste te ontstaan. Ik had wel koudwatervrees. Nog even probeerde ik tegen de deur te duwen om te kijken of hij nog dicht ging. Nee, dat lukte niet meer. Ik besloot het eenmalig te gaan proberen. Het werd een succes. En hoewel het veel werk was, had ik er veel plezier in en was het prima te combineren met het geven van behandelingen en workshops in mijn eigen praktijk.

Het bleek echter niet eenmalig zoals ik gedacht had. “Boven”  had nog meer in het vooruitzicht. De deur ging niet meer dicht. Ik kwam in contact met Johanna Kleipool (johanna@merkabalight.com) die ook vroeg of ik ondersteuning in de organisatie van de zaken om haar workshops en lezingen heen kon geven. Hennie van de Lande (www.hennievandelande.nl) een kunstschilderes melde zich met de vraag of ik tentoonstellingen voor haar kon organiseren. En het blijkt leuk te zijn, het in contact komen met heel veel verschillende mensen, het netwerken, creatief denken en organiseren. Mijn hart blijft liggen bij mijn werk als healer en reader in mijn eigen praktijk, maar wat vind ik het leuk om dit ernaast te doen. Inmiddels heeft de volgende deur zich geopend. Op 2 oktober 2016 organiseer ik een spirituele beurs in de Tussenpauze in Bavel.

Een tip van mij, kom je een open deur tegen. Kijk dan even om het hoekje voor je hem uit angst voor het onbekende dichtgooit. Echt het kan de moeite waard zijn.

 

 

José en Jezus versus Petertje en Isolde

Herfst. Wind in de lucht, zandkorreltjes die over het strand stuiven, schuimkopjes op het water van de zee.DSCF1168

Het was rustig op het strand, alleen een paar verwaaide wandelaars en een jongen met een reusachtige vlieger die half over het strand getrokken werd zodat ik me afvroeg wie wie nu bestuurde.

Na een strandwandeling besloot ik een kop thee te drinken in een rustig strandpaviljoen om lekker warm te worden. Ik zat nog maar net toen een oudere dame, met haar dochter en kleinzoontje van een jaar of vijf binnenkwamen. Ze liepen op het tafeltje naast mij af en gingen zitten. De oudere dame zette een bril op haar neus en pakte de menukaart. “Voor jou ook een cappuccino José?” vroeg ze. “Graag mam,” antwoordde José, terwijl ze haar sjaal op de rugleuning hing. “En Petertje,” vroeg ze, terwijl ze over haar bril heen naar Petertje keek. “Chocolademelk alstublieft oma,” zei hij netjes, “maar Isolde wil liever cola.” Oma keek hem niet begrijpend aan. “Welke Isolde,” vroeg ze, haar bril een stukje naar het puntje van haar neus duwend om haar kleinzoon beter te kunnen zien.

“Let er maar niet op hoor mam,” bemoeide José zich nu gegeneerd met het gesprek. “Petertje heeft een verzonnen vriendinnetje,” en zich vervolgens streng naar Petertje wendend; “Wat hebben we nu afgesproken?”

Petertje keek een beetje bozig voor zich uit terwijl hij zijn lipjes op elkaar klemde. “Sorry mama,” zei hij zachtjes. Hij keek even opzij en toen weer voor zich uit: “en ook sorry van Isolde.” zei hij.

“Petertje,” vermaande José hem nu streng. “Er bestaan geen onzichtbare vriendjes, net zo min als kabouters en elfen. Dat zijn allemaal fantasieën en sprookjes. De dominee wordt boos op je als hij je zo hoort praten en Jezus ook. Petertje leek niet erg onder de indruk te zijn van de dominee of van Jezus. Hij frummelde wat verveeld aan het kleedje op tafel en zuchtte diep.

Oma greep in: “Petertje, waarom ga je nog niet lekker even buiten spelen tot de chocolademelk er is.”

Verheugd sprong Petertje overeind: “Mag het mam?

Zijn moeder knikte. “Maar blijf wel voor dit paviljoen en niet te dicht bij het water.”

“Kom Isolde,” riep hij terwijl hij zijn jas aanschoot. De bestraffende blik die zijn moeder hem toewierp zag hij al niet meer.

José haalde diep adem. Zij, oma en ik keken naar buiten waar Petertje bij een ingezakt zandkasteel bleef staan waarachter een kuil met water lag, dat waarschijnlijk de restanten van de bijbehorende slotgracht waren. Hij leek in gesprek te zijn, waarschijnlijk met Isolde.

“Ik weet niet meer wat ik met hem aan moet hoor mam,” zuchtte José. Wat Henk en ik ook zeggen, het is Isolde voor en Isolde na bij Petertje.

“Ik had vroeger een zusje dat Isolde heette,” zei oma  peinzend. “Ze is overleden toen ze zes was.”

“Ja, ik weet het mam, longontsteking hé? Maar wat moet ik nu met Petertje. De dominee heeft me er ook al over aangesproken. Dit kan toch niet zo door gaan.”

Toen gebeurde het. De jongen met de vlieger leek de macht over de vlieger te verliezen. De vlieger wervelde, draaide rondjes en dook toen met een enorme vaart naar beneden, naar de plek waar Petertje stond. Op dat moment leek het alsof een onzichtbaar iets Petertje  een stukje omhoog trok en vooruit duwde. Petertje kukelde over het zandkasteel heen en kwam in de slotgracht terecht, terwijl de vlieger zich met een noodgang in het zandkasteel boorde, op de plek waar Petertje had gestaan. José stormde naar buiten, viste haar zoon uit het water en liep met het drijfnatte en brullende jongetje weer naar binnen.

De restauranthoudster kwam met een handdoek aan. “Dank u Jezus,” prevelde José terwijl ze haar zoontje droogwreef. Daarop begon Petertje nog harder te huilen. “Dat is gemeen, om Jezus ook nog te bedanken” hikte hij, ” Isolde en ik zouden een wedstrijdje verspringen doen. En toen gaf ze me plotseling een harde duw voordat ik wilde springen. En toen viel ik en werd helemaal nat. En nu heb ik verloren. Dat is niet eerlijk.”

Oma redde de situatie. “Doe ook nog maar een cola voor Isolde , ” zei ze tegen de ober. “Dat heeft ze wel verdiend.”

 

 

Poes

Een jaar of acht was ik, toen we ons eerste huisdier kregen.Poes (4)

We woonden toen in Den Haag, twee hoog op een flat. We liepen zelfstandig van huis naar school en omgekeerd. Destijds bestond overblijven tussen de middag nog niet, dus gingen alle kinderen naar huis om hun boterham te eten.

Ik herinner me nog goed dat het een mooie dag in de herfst was toen ik om twaalf uur naar huis liep. Halverwege deze wandeling kwam een rode kater mij tegemoet. Hij was mager en zag er verwaarloosd uit. Doelbewust leek hij naar me toe te lopen. Ik was gek op dieren en ging meteen op mijn hurken zitten om hem te aaien en tegen hem te praten. De kat miauwde terug en we hadden een heel gesprek, toen ik besefte dat ik op moest schieten omdat mijn moeder thuis op me wachtte. Ik stond op en vervolgde de weg naar huis. Tot mijn verwondering liep de kat me achterna. Dat was leuk! Ik bleef met hem praten en hij bleef miauwen. Samen met mij stak hij het drukke kruispunt over en liep mee tot aan het portiek. Daar aarzelde ik geen moment, ik tilde hem op, wat hij geen enkel probleem leek te vinden, en sleepte hem mee naar boven, naar huis.

“Kijk wat ik gevonden heb,” zei ik stralend tegen mijn moeder, terwijl ik de kat in de gang zette toen zij de deur open deed. “Zullen we hem houden? Hij heeft vast geen huis meer.” Nou is mijn moeder ook altijd gek op dieren geweest, maar mijn vader minder. Het was dan ook logisch dat mijn moeder, die ik zo overviel met deze rode snuiter, bedenkingen had.

Ik pleitte als een advocaat voor de kat en mijn moeder die het verhaal over mijn ontmoeting met de kat wel leuk vond, besloot dat hij mocht blijven gedurende het middageten. Ik vermoed, haar kennende, dat ze hem in die tussentijd ook voorzien heeft van melk en wat lekkere hapjes. Maar na het eten was ze onverbiddelijk. De kat moest weer naar buiten. Dat vond ik niet leuk. En de kat ook niet. Hem beviel het blijkbaar wel bij ons. En hij bleek een heel eigen strategie te hebben om zich een plekje in ons huishouden te veroveren.

Nadat ik de kat weer naar buiten had gesleept, wat hij ook gewoon weer accepteerde, begon hij me opnieuw te volgen, nu naar school. Ondanks de drukte van alle kinderen liep hij mee het speelplein op, sprong op de brandtrap en hield me vanaf daar nauwlettend in het oog.

En toen de schoolbel ging en ik naar binnen moest, glipte hij door de deur, tussen de benen van de andere kinderen door, zo met mij het klaslokaal in waar een stomverbaasde juffrouw de situatie in ogenschouw nam. De kat, geenszins verstoord door alle commotie die hij veroorzaakte sprong achter in de klas op een kast van zo’n anderhalve meter hoog en ging daar in een berg bladeren liggen die wij verzameld hadden en die een impressie moesten geven van het seizoen. Daar viel hij binnen de kortste keren in slaap. Ik weet niet of de juffrouw zo’n dierenliefhebster was, of dat de kat haar betoverd had, maar hij mocht die middag blijven en gedroeg zich voorbeeldig, door te blijven slapen en de les niet te verstoren.

Aan het einde van de les werd hij weer wakker en volgde me zonder probleem weer naar huis. Natuurlijk wist ik dat het nu zaak zou worden om mijn moeder te overtuigen. Opnieuw sleepte ik de kat naar boven en zette haar in de gang. En hoewel mijn moeder de kat leuk vond en onder de indruk was van hoe de kat me was blijven volgen, zag ze toch grote bezwaren. Ik fleemde en vleide en deed alles wat een meisje van acht uit de kast kon halen om de kat te kunnen houden. Terwijl wij in de keuken stonden, ging de kat het balkon op. Hij wrong zich door de spijlen en sprong naar beneden, richting de vensterbank van het portiek, maar hij miste de vensterbank en viel van twee hoog op de grond.

Ik stormde naar beneden, samen met mijn moeder. De kat was gewond aan zijn achterpoot en we namen hem mee omhoog. Er kwam een dierenarts bij die de constateerde dat het een tijdje zou duren voor de kneuzing genezen zou zijn. Dat was naar maar had ook een heel goede kant, want dat betekende dat de kat die nacht mocht blijven. Ik was dolgelukkig. “Maar,” waarschuwde ze , “de volgende dag zou ze het dierenasiel bellen.”

Toen ik de volgende dag verdrietig naar huis liep, bleek echter dat de kat er nog was. Het dierenasiel had gezegd dat ze de kat niet konden opnemen omdat hij gewond was. Mijn moeder zou hem wel kunnen brengen, maar dan zou hij een spuitje krijgen. Dat ging mijn moeder te ver. Deze slimme en loyale kat is gebleven voor de rest van zijn leven.

 

 

 

 

Tess

Tess 1Jaren geleden besloot ik dat er ruimte was voor een hond in mijn leven. Ik was herstellende van een agressieve vorm van leukemie, en het leek me prettig om bij het opbouwen van mijn energie en conditie een maatje te hebben dat mij buiten vergezellen zou op mijn wandeltochten. Daarnaast had ik ruimte in mijn huis en volop in mijn hart en vanuit de ervaring met eerdere honden die mijn leven met mij gedeeld hadden, wist ik hoezeer zo’n viervoeter mijn leven kon verrijken.

Ik besloot naar het dierenasiel te gaan om te kijken of daar een vriendje voor mij zat. Er zaten een boel honden, waaronder ook heel veel leuke honden, maar bij het uitzoeken van zo’n vriend, wil ik altijd een speciale klik voelen. Dat gebeurde op dat moment niet en ik ging enigszins teleurgesteld naar huis. Kennelijk was het nog niet het goede moment voor zo’n harige huisgenootje. Ik besloot het idee te laten rusten en ging verder met mijn leven, en de gedachte aan een hond gleed langzaam maar zeker naar de achtergrond, tot het niet meer echt speelde.

Zo’n drie maanden later werd ik op een ochtend wakker van een stem in mijn droom die zei: “Wakker worden. Je vriendje zit te wachten op je in het dierenasiel. Hij is net gebracht.” Nou ben ik niet iemand die altijd meteen doet wat in mijn hoofd opkomt, maar om de één of andere reden schoot ik in mijn kleren en stapte zonder ontbijt op de fiets, op weg naar het dierenasiel, ondanks dat ik al een tijd niet meer bezig was geweest met de aanschaf van een hondje.

In het eerste hok aan de voorkant van het asiel zat een jong hondje met een vrolijke rode zakdoek om. We keken elkaar aan. De klik was er meteen, maar ik kon me niet voorstellen dat iemand deze hond gebracht had. Ze had zo’n hoog aaibaarheidsgehalte dat ik er van uitging dat deze hond van iemand van het personeel was. Het  dierenasiel was nog maar net open. Ik ging naar binnen en met de gedachte in mijn achterhoofd dat het hondje buiten van een personeelslid was, ging ik op zoek naar de hond waarover de stem in mijn droom vertelde. Ik vond hem niet. Uiteindelijk kwam ik terecht achter in het asiel waardoor het deurtje van het buitenhok het jonge hondje het binnenhok in kwam stormen. Ze ging voor de tralies zitten en keek me  aan en ik smolt opnieuw. Er was iets speciaals tussen mij en deze hond.

Op dat moment kwam er een personeelslid aan. “Leuke hond, niet waar,” zei ze toen ze me zag kijken. Ik knikte. “Ze is net een kwartiertje geleden gebracht,” ging de vrouw verder.

“Wat zou ik haar graag willen meenemen,” zei ik.

“Wat houdt u tegen?” vroeg zij.

“Ik wil al een tijdje een hond,” zei ik, “maar dit is op dit moment onverwacht en ik moet even overleggen met de andere gezinsleden.”

“Geen probleem hoor,” zei de vrouw, “Ik wil de hond wel reserveren voor u, dan kunt u thuis overleggen en morgen even contact met ons opnemen.”

Die middag ging ik met mijn lief naar het dierenasiel en ook mijn lief smolt voor de hond. Natuurlijk namen we haar mee en ik gaf haar de naam Tess.  Waar ik was, was Tess ook. Ze ging mee op vakantie en op onze vele lange wandeltochten. Aan de fiets vond ze het heerlijk om mij voort te trekken en als ik even niet oplette lag ze met haar ondeugende snuit in het water. Schoon of vies water, weer of geen weer, het maakte haar niet uit. Veertien is ze geworden, toen moest ik haar, twee jaar geleden laten inslapen omdat ze ziek was. Ze was drie maanden toen ze bij me kwam en veertien jaar heb ik van haar mogen genieten.

Nee, ik heb nog geen andere hond. Tess is zo bijzonder geweest voor mij, en soms, als ik buiten wandel, heb ik het gevoel dat ze mij nog steeds vergezeld.