José en Jezus versus Petertje en Isolde

Herfst. Wind in de lucht, zandkorreltjes die over het strand stuiven, schuimkopjes op het water van de zee.DSCF1168

Het was rustig op het strand, alleen een paar verwaaide wandelaars en een jongen met een reusachtige vlieger die half over het strand getrokken werd zodat ik me afvroeg wie wie nu bestuurde.

Na een strandwandeling besloot ik een kop thee te drinken in een rustig strandpaviljoen om lekker warm te worden. Ik zat nog maar net toen een oudere dame, met haar dochter en kleinzoontje van een jaar of vijf binnenkwamen. Ze liepen op het tafeltje naast mij af en gingen zitten. De oudere dame zette een bril op haar neus en pakte de menukaart. “Voor jou ook een cappuccino José?” vroeg ze. “Graag mam,” antwoordde José, terwijl ze haar sjaal op de rugleuning hing. “En Petertje,” vroeg ze, terwijl ze over haar bril heen naar Petertje keek. “Chocolademelk alstublieft oma,” zei hij netjes, “maar Isolde wil liever cola.” Oma keek hem niet begrijpend aan. “Welke Isolde,” vroeg ze, haar bril een stukje naar het puntje van haar neus duwend om haar kleinzoon beter te kunnen zien.

“Let er maar niet op hoor mam,” bemoeide José zich nu gegeneerd met het gesprek. “Petertje heeft een verzonnen vriendinnetje,” en zich vervolgens streng naar Petertje wendend; “Wat hebben we nu afgesproken?”

Petertje keek een beetje bozig voor zich uit terwijl hij zijn lipjes op elkaar klemde. “Sorry mama,” zei hij zachtjes. Hij keek even opzij en toen weer voor zich uit: “en ook sorry van Isolde.” zei hij.

“Petertje,” vermaande José hem nu streng. “Er bestaan geen onzichtbare vriendjes, net zo min als kabouters en elfen. Dat zijn allemaal fantasieën en sprookjes. De dominee wordt boos op je als hij je zo hoort praten en Jezus ook. Petertje leek niet erg onder de indruk te zijn van de dominee of van Jezus. Hij frummelde wat verveeld aan het kleedje op tafel en zuchtte diep.

Oma greep in: “Petertje, waarom ga je nog niet lekker even buiten spelen tot de chocolademelk er is.”

Verheugd sprong Petertje overeind: “Mag het mam?

Zijn moeder knikte. “Maar blijf wel voor dit paviljoen en niet te dicht bij het water.”

“Kom Isolde,” riep hij terwijl hij zijn jas aanschoot. De bestraffende blik die zijn moeder hem toewierp zag hij al niet meer.

José haalde diep adem. Zij, oma en ik keken naar buiten waar Petertje bij een ingezakt zandkasteel bleef staan waarachter een kuil met water lag, dat waarschijnlijk de restanten van de bijbehorende slotgracht waren. Hij leek in gesprek te zijn, waarschijnlijk met Isolde.

“Ik weet niet meer wat ik met hem aan moet hoor mam,” zuchtte José. Wat Henk en ik ook zeggen, het is Isolde voor en Isolde na bij Petertje.

“Ik had vroeger een zusje dat Isolde heette,” zei oma  peinzend. “Ze is overleden toen ze zes was.”

“Ja, ik weet het mam, longontsteking hé? Maar wat moet ik nu met Petertje. De dominee heeft me er ook al over aangesproken. Dit kan toch niet zo door gaan.”

Toen gebeurde het. De jongen met de vlieger leek de macht over de vlieger te verliezen. De vlieger wervelde, draaide rondjes en dook toen met een enorme vaart naar beneden, naar de plek waar Petertje stond. Op dat moment leek het alsof een onzichtbaar iets Petertje  een stukje omhoog trok en vooruit duwde. Petertje kukelde over het zandkasteel heen en kwam in de slotgracht terecht, terwijl de vlieger zich met een noodgang in het zandkasteel boorde, op de plek waar Petertje had gestaan. José stormde naar buiten, viste haar zoon uit het water en liep met het drijfnatte en brullende jongetje weer naar binnen.

De restauranthoudster kwam met een handdoek aan. “Dank u Jezus,” prevelde José terwijl ze haar zoontje droogwreef. Daarop begon Petertje nog harder te huilen. “Dat is gemeen, om Jezus ook nog te bedanken” hikte hij, ” Isolde en ik zouden een wedstrijdje verspringen doen. En toen gaf ze me plotseling een harde duw voordat ik wilde springen. En toen viel ik en werd helemaal nat. En nu heb ik verloren. Dat is niet eerlijk.”

Oma redde de situatie. “Doe ook nog maar een cola voor Isolde , ” zei ze tegen de ober. “Dat heeft ze wel verdiend.”

 

 

Kinderen en reïncarnatie

Kinderen tot een jaar of zeven staan nog open voor dingen die niet altijd zichtbaar zijn voor volwassenen, en die door volwassen regelmatig worden afgedaan als onzin. Of het nu gaat om zogenaamde “onzichtbare” vriendjes of dingen die zij meemaken of zich herinneren. Ze zitten nog niet zo heel erg in een keurslijf van wat hoort en niet hoort. Ze staan nog open voor DSCF1121alles om hen heen. En al hun kanalen om contact te hebben met hun oorspronkelijke ziel, staan nog open. Daarom kunnen hun verhalen, als wij willen luisteren ook zo bijzonder zijn.

Zo ook het verhaal van mijn zoontje.

Het zal nu zeker zo’n vijfentwintig jaar geleden zijn maar ik herinner  me nog alles van die gebeurtenis glashelder alsof het de dag van gisteren was.

Het was een prachtige woensdagmiddag, en ik was met mijn toen vijfjarige zoon naar het park gegaan. Mijn zoon zat zeer geconcentreerd in de zandbak te graven, terwijl ik met gesloten ogen genoot van wat wel eens de laatste zomerzonstralen van dat jaar zouden kunnen zijn.

Plotseling hoorde ik mijn naam roepen. Ik opende wat spijtig mijn ogen en zag Peter aan komen lopen, een kennis die dezelfde cursus kunstgeschiedenis volgde als ik. Hij schoof gezellig aan op het bankje en begon te vertellen over Escher. Hij was onlangs in het Escher-museum in Den Haag geweest en was daar kennelijk nogal vol van zo aan zijn verhalen te horen. Hij was een boeiende verteller en ik luisterde graag naar zijn belevenissen. Ik keek ondertussen even naar mijn zoontje die op dat moment net een nadenkende blik op Peter wierp. Zijn neus rimpelde ervan. Hij bleef even peinzend naar Peter kijken en vervolgens ging hij weer verder met zijn graafwerkzaamheden, zonder ons nog een blik waardig te keuren.

Na een half uurtje, keek Peter op zijn horloge en stond op. Er moesten nog boodschappen gedaan worden. Met een hartelijke groet, vervolgde hij zijn weg, naar de winkel voor zijn avondmaaltijd.  Wij moesten ook op huis aan en ik riep mijn zoon die, na even sputteren uit de zandbak klom.

Ik tilde hem achter op de fiets en vroeg hem of hij worteltjes of boontjes wilde eten. Hij keek mij ernstig aan.

“Die ken ik wel hoor”, zei hij.

“Wie ken je wel,” vroeg ik in gedachten de koelkast nalopend of ik ook een toetje in huis had.

“Nou, die man die net bij jou op het bankje zat.” Hij stopte zijn handjes in zijn jaszakken.

“Peter?” vroeg ik verbaasd. Peter was namelijk nooit bij ons thuis geweest en mijn zoontje had hem volgens mij nog nooit eerder gezien.

“Ja, van vroeger,” zei mijn zoon.

“Van vroeger,” herhaalde ik wat dommig terwijl ik mijn hoofd brak over eventuele mogelijkheden waar mijn zoon Peter eerder gezien zou kunnen hebben. Maar ik kon me geen enkele gelegenheid voor de geest halen waarin van een ontmoeting tussen die twee sprake geweest zou kunnen zijn.

“Van toen Nederland aan het vechten was,” zei mijn zoon terwijl hij als een oud mannetje zachtjes knikte ter bevestiging van zijn woorden.

“O ja?” vroeg ik.

“Ja,” zei mijn zoon. “We moesten rivieren recht maken. En hij was er ook bij. Wij waren vrienden. En toen kwamen er soldaten en ik kon hem niet meer waarschuwen. Ze hebben hem doodgeschoten en ik ben heel hard weggerend.”

“En toen?” vroeg ik benieuwd.

“Toen ben ik met andere mannen naar een eiland gevaren, waar alleen maar mannen woonden. Ik had daar ook een hond en die heette Augurk. Nou en toen ben ik heel oud geworden en doodgegaan.

Het verhaal maakte me even stil. Maar mijn zoon zat er niet zo mee. Hij vroeg zich al weer af of we op tijd thuis zouden zijn voor Sesam Straat.